Milieueffecten

Printvriendelijke versie

In de nucleaire industrie zijn alle handelingen er op gericht de milieueffecten van nucleaire processen zoveel mogelijk te beperken. Het zijn met name twee aspecten van radioactiviteit en straling waar op gelet wordt:

  • het voorkomen van ongecontroleerde lozing of verspreiding van radioactieve stoffen
  • het afschermen van bronnen die straling afgeven

Veel mensen maken zich zorgen over de effecten van nucleaire processen en installaties op het milieu. Aan de ene kant is dat een terechte zorg, omdat de gevolgen van grote radioactieve lozingen en hoge stralingsvelden ernstig kunnen zijn. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als gevolg van ernstige nucleaire ongevallen.

Aan de andere kant zijn de milieueffecten van nucleaire processen en installaties onder normale omstandigheden bijzonder klein. Dat komt doordat de aanwezigheid van radioactiviteit en straling al bij volstrekt ongevaarlijke niveaus bijzonder goed is te meten waardoor deze ook goed is te beheersen. Als je iets goed kunt meten, kun je namelijk ook effectieve maatregelen nemen. Denk aan het afschermen van stralingsbronnen en het filteren en afscheiden van radioactieve stoffen uit de omgeving waarin ze verkeren (lucht, water, bodem, vaste of gasvormige reststoffen). De effectiviteit van de maatregelen is goed te meten zodat je zeker weet dat je het juiste hebt gedaan.

Milieueffecten door ongelukken en kernproeven
De zorgen die mensen hebben over de milieueffecten van radioactiviteit en straling komen vooral voort uit enkele ernstige ongelukken, zoals Tsjernobyl en Fukushima. Of door bovengrondse militaire kernproeven die enkele decennia geleden zijn gedaan. Door deze ongelukken en proeven zijn radioactieve stoffen ongecontroleerd in het milieu terechtgekomen. Omdat sommige radioactieve stoffen een lange halfwaardetijd hebben, blijven ze lang schadelijk.

In de jaren ‘50 en ‘60 van de vorige eeuw zijn bovengrondse kernproeven gehouden. Daarbij zijn grote hoeveelheden radioactiviteit hoog in de atmosfeer gebracht. Met de daar heersende luchtstromingen hebben die zich over de hele aarde verspreid en werden daardoor extreem verdund, kleiner of vergelijkbaar met van nature aanwezige radioactiviteit. Hoewel onnatuurlijk en ongewenst, vormt deze radioactiviteit geen gevaar voor de gezondheid. De aanwezigheid van bij die kernproeven vrijgekomen radioactiviteit is alleen nog aan te tonen omdat deze zich qua samenstelling onderscheidt van de van nature aanwezige radioactiviteit.

Monitoren atmosfeer
De Nederlandse overheid monitort dag en nacht de hoeveelheid radioactiviteit in de atmosfeer boven ons land. Zij doet dat via het Nationaal Meetnet Radioactiviteit (NMR). Het NMR signaleert de concentraties van radioactieve stoffen in de lucht en brengt die in kaart. Onder normale omstandigheden meet het NMR de concentraties van de van nature daarin voorkomende radioactiviteit. Deze varieert door wind die meer of minder natuurlijke radioactiviteit aanvoert en neerslag die dit uit de lucht neerslaat. Bij een niet-natuurlijke variatie, zoals bij een nucleair ongeval in binnen- of buitenland, geeft het NMR inzicht in de ernst en verspreiding ervan. Meetgegevens worden uitgewisseld met de ons omringende landen.

Het Nationaal Meetnet Radioactiviteit wordt door RIVM beheerd in opdracht van het ministerie van Veiligheid en Justitie en de Inspectie Leefomgeving en Transport. Het beheer is deels uitbesteed, onder andere aan NRG. De 165 meetposten staan vaak in de buurt van brandweerkazernes en meetposten die deel uitmaken van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit. Bij ongevallen kunnen ook twee meetwagens worden ingezet om op de ongevalslocatie metingen te verrichten. Zie ook de site van het RIVM.

Verminderen lozingen op Noordzee
De Noordzeestaten werken nauw samen bij het monitoren van radioactieve lozingen op zeewater. Deze worden veroorzaakt door een verscheidenheid aan menselijke activiteiten, variërend van medische handelingen, fosfaatverwerkende industrie, offshore bedrijven en enkele nucleaire activiteiten zoals het recyclen van splijtstoffen. De Noordzeestaten hebben een beleid afgesproken dat in 2020 de nucleaire lozingen op de Noordzee het nulpunt moeten zijn genaderd. Dit beleid is vastgelegd in de OSPAR-conventie.

Het OSPAR-verdrag heet officieel het "Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan". OSPAR staat voor "Oslo" en "Parijs" omdat het verdrag twee eerdere internationale overeenkomsten verving: de conventie van Oslo (1972) over het dumpen van afval in zee en de conventie van Parijs (1974) over de vervuiling van de zee door bronnen op het land. Het verdrag trad in werking op 25 maart 1998.

Voorkomen lozingen kerncentrale
Een kerncentrale zoals die in Borssele heeft nauwelijks milieueffecten. Radioactieve straling en lozingen worden continu gemonitord en blijven ver onder de toegestane limieten. Bovendien stoot een kerncentrale geen rookgassen uit, dus geen broeikasgassen of verzurende stoffen zoals stikstof- of zwaveloxiden. Ook de lozingen via afvalwater worden gemonitord. Daardoor loost een kerncentrale nauwelijks radioactieve stoffen op het oppervlaktewater zodat deze wegvalt tegen de van nature daarin aanwezige radioactiviteit.

In ongevalomstandigheden in de kerncentrale treden allerlei veiligheidssystemen in werking die ervoor zorgen dat de reactor intact blijft en voorkomen dat ongecontroleerde radioactieve lozingen plaatsvinden. Er is een grote hoeveelheid veiligheidssystemen die onverhoopte ongevallen beheersbaar houden, de laatste verdediging tegen onheil is het gebouw van de kerncentrale zelf. Dit gebouw bestaat uit een zeer robuuste, hermetische gesloten bol die radioactieve materialen (gassen, vloeistoffen en vaste stoffen) onder zeer extreme omstandigheden binnen zal houden. EPZ, de exploitant van de kerncentrale, geeft op haar website veel tekst en uitleg hierover. Vooral na het ongeluk in Fukushima is er veel onderzoek verricht naar het voorkomen van radioactieve lozingen in ongevalsomstandigheden. Dit onderzoek staat ook bekend als de Europese stresstest voor kerncentrales. Wie meer wil weten, bezoekt www.epz.nl.

Voorkomen lozingen overige nucleaire installaties
Iedere nucleaire installatie is vergunningplichtig. Houders van een Kernenergiewetvergunning moeten aan strenge voorwaarden voldoen. Daarop is onafhankelijk toezicht door de Kernfysische Dienst. Er moet worden gemeten en geregistreerd wat de hoeveelheid straling is en of er verspreiding is van radioactieve stoffen in en om de plaats van verwerking. De meetwaarden worden ook periodiek gerapporteerd. Lozingen en stralingsdoses zijn gelimiteerd vastgelegd in de vergunning. Afwijkingen moeten worden gemeld. Als er grote afwijkingen zijn of bijzondere omstandigheden, kan de toezichthouder besluiten een nucleaire installatie uit bedrijf te nemen.

Voorkomen verspreiding van nucleaire reststoffen
Wie met radioactieve stoffen omgaat, houdt daarvan een nauwgezette administratie bij. Ook dat is onderdeel van de vergunning. Wie radioactieve afvalstoffen voortbrengt, moet er ook voor zorgen dat die buiten het milieu gehouden worden. Zorgvuldig werken in speciale ruimtes (hot cells, laboratoria) die voorzien zijn van milieutechnologie zoals afvalwaterbehandling en filterstraten zijn bij wet geregeld. In ons land geldt het beleid dat alle radioactieve reststoffen centraal worden verzameld, geïsoleerd, behandeld en beheerd bij COVRA.

In het algemeen geldt dat technisch goed wordt voorkomen dat uit radioactief afval nog iets weg kan lekken naar het milieu. Zo wordt hoogradioactief afval uit kerncentrales gemengd met vloeibaar glas dat in roestvrijstalen containers stolt tot een soort basalt. Het radioactieve afval zit dan vast opgesloten in de matrix van het glas. Het kan zich niet verspreiden in het milieu. Omdat dit roestvrijstalen vat natuurlijk wel veel straling afgeeft, wordt het opgeslagen in een gebunkerd gebouw dat de straling afschermt. Dit geconditioneerde en opgeslagen afval heeft geen invloed meer op het milieu. Dat geldt ook voor het verzamelde laag- en middelactieve afval. De conditionering van dit afval is technisch wat eenvoudiger: afschermen met een verpakking van beton en daarna opslaan in een gebouw zijn daarvoor voldoende. Het milieu ondervindt geen invloed meer van het opgeslagen radioactieve afval.